Geef mij nog maar een biertje

Al dagen wil ik rozenbottels plukken. Om jam van te maken. Maar het komt er maar niet van. Vandaag gelukkig wel. 

Met een paar opbergdoosjes in mijn tas wandel ik naar de duinen.

Dat gaat snel.

In een half uur ben ik al op de plek van bestemming.

Daar tref ik struiken vol met oranje-rode rozenbottels aan. Wat een rijkdom. Ik kijk om mij heen. Waar zal ik beginnen?

Ik begin maar met het plukken van de mooiste rozenbottels.

Maar als ik ze van de struik probeer te halen merk ik dat het moeilijk gaat. Ze zijn hard en stug.

Ben ik te vroeg? Moet ik nog wachten?

Ik kijk om mij heen en loop naar een andere plek.

Ook daar zijn ze hard. Maar als ik goed zoek zijn er wel een paar zachte te vinden.

Het lijken wel tomaatjes

Twee wandelaars die mij zien plukken vragen wat ik met de rozenbottels ga doen. Ik vertel hen dat ik er jam van wil maken.

“Oh heerlijk,” zeggen ze. 

Als mijn doosjes vol zijn (met harde en zachte rozenbottels) wil ik nog wat genieten van het mooie weer. 

Ik loop via een weggetje naar het strand.

Daar tref ik wandelaars.

Alle drie de wandelaars kijken naar het hondje.
Zelfs het hondje bij zee kijkt met hen mee.

En enkelen die zwemmen. 

Brr…zij liever dan ik.

Er hangt geen vlag bij de reddingsbrigade op het zuiderstrand. Dus waarschijnlijk is het zwemmen op eigen risico.

Ik loop naar strandtent de Fuut.

Daar is het rustig.

Ik strek mij uit en ga een beetje onderuit zitten zodat ik de zon goed op mijn gezicht kan laten schijnen.

Heerlijk zo’n najaarszon.

Ik hoor twee mensen praten. De vrouw zit hier al een poosje. De man is net aangekomen. Ze zitten op een bankje. Met hun gezicht naar de zee. En een hond.

De serveerster komt er aan.

“Mag ik een biertje van jou?” vraagt hij haar.

De vrouw neemt de bestelling op.

Als ze terug is pakt hij het glas van haar over. 

“Deze gaat er zo in, breng er nog maar een.”

En in twee slokken klokt hij het bier naar binnen en geeft haar het lege glas terug.

De serveerster loopt weg en brengt hem een nieuwe.

Voor het bankje is een kuil. Het hondje is er in gaan liggen. 

De  vrouw heeft ook twee drankjes besteld. Koffie en muntthee.

Verder heeft ze een sigaret in haar hand. En een grote tatoeage op haar rug. 

De man heeft een streepjes ’t shirt aan. Blauw en wit. Hij roept naar de hond.  Autoritair. Met een fluitje. Hij is de baas. 

Het is warm, ondanks de frisse wind.

Dan roept hij weer naar de serveerster. 

“Geef mij nog maar een biertje,”zegt hij.

Ik kijk hem verschrikt aan. Is zijn tweede biertje nu al op?

“Ik heb ‘m laten vallen,” zegt hij verontschuldigend tegen haar.

“Zonde,” zegt zij.

“Ach,” zegt hij, “het is wat het is.”

Hij begint te zingen. Voor zijn vrouw. Deze man met krulletjes.

Het liedje ‘I love my dog’. 

“Wil jij ook nog wat drinken mijn lief?” vraagt hij haar.

“Nee hoor,” zegt zij terug, “ ik heb genoeg.”

Hij draagt een gedichtje aan haar voor:

My mother in law
My father in law
But my wife is the law

Hij lacht uitbundig en kijkt zijn vrouw met twinkel oogjes aan. 

“Het is nog waar ook,” zegt hij tegen zijn vrouw. 

En hij lacht weer.

Ik ben benieuwd wanneer hij naar zijn vierde biertje vraagt. In vijf minuten tijd heeft hij drie biertjes achterover geslagen. 

Hij gaat staan.

“Ik ga zwemmen,” zegt hij.

Dat vind ik dapper, in september. 

Zijn shirt gaat uit. Zijn hele rug zit vol tatoeages. Hij doet een handoekje om zijn nek en loopt vrolijk naar zee. Na nog even snel zijn laatste slokje bier te hebben gedronken.

“Dag lievie,” zegt hij tegen zijn vrouw alsof er heel wat gaat gebeuren.

Stoer loopt hij met zijn zware lijf en telefoon richting de zee. 

Ik stap op. Het is genoeg geweest. Ik wil nog een klein stukje langs het strand lopen en dan weer terug naar huis.

Als ik vlakbij de zee ben stuit ik op een man met een brommer. Op het zand. Met een hengel. Hij is druk bezig met iets.

Ik sluip dichterbij.

En kijk.

Op zijn brommer ligt een stapeltje rauwe mossels.

Hij pakt ze op en slurpt ze een voor naar binnen. 

Ik kijk hem vol afschuw aan.

“Moet je die niet eerst koken?” vraag ik.

“Nee hoor,” zegt hij lachend, ze zijn heel gezond. Het is net als melk met een rauwe ei. Dat kan je ook gewoon drinken.

Ook dat klinkt mij heel onaantrekkelijk in de oren.

“Smaken ze als oesters?” vraag ik hem.

“Ja,” zegt hij.

“Wil je het proberen?”

En hij reikt mij een mossel aan. 

Maar dat gaat mij toch net iets te ver. 

Ik bedank hem snel en loop verder.

Als ik bijna bij Kijkduin ben rukt een reddingsbrigade uit. Een auto met een harde sirene komt met grote snelheid op mij af.

Geef een reactie

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.