Klaasje

Tuin Klaasje
Tuin Klaasje

Klaasje. De oudste man van de straat. De leukste. En de levendigste. Met de mooiste tuin.

Negenentachtig jaar is hij. 

En hij doet nog van alles. Hij roept met luide stem ‘hoi’ als hij je ziet. En is de hele dag bezig met van alles.

“Als ik maar niet stil hoef te zitten,” zegt hij, “want daar ken ik niet tegen.”

Zijn vrouw is een paar jaar jonger. En wat rustiger.

Ze wandelen veel. Samen. Dikwijls kom ik ze tegen op een van mijn wandelingen in Den Haag.

Ze zijn al meer dan zestig jaar samen.

Hij rijdt. Zij heeft nooit leren rijden. 

Ze zijn net terug van vakantie. Ze zijn niet meer zo ver geweest. Want hij heeft het aan zijn hart.

“Maar verder ben ik kerngezond hoor.” zegt hij. 

“Ik beweeg veel, heb de bloeddruk van een man van dertig zegt de dokter. En ben zestig jaar geleden gestopt met roken.”

Ze waren op de heide. Een uur rijden van Den Haag. Net ver genoeg om te kunnen genieten van de omgeving. Dichtbij genoeg om snel terug te kunnen zijn in het geval van calamiteiten.

“We hebben het zo leuk gehad,” zei zijn vrouw onlangs tegen mij. “Het was mooi weer. En de heide was prachtig! We zaten in een huisje midden op de hei.”

Ze glundert. En is vrolijk. Haar krullen dansen op haar hoofd. 

Nu is het een paar weken later. Ik kom terug van mijn wandeling. En ben bijna thuis. Dan zie ik mijn buurman uit zijn auto komen. 

Levendig wipt hij de deur open en springt eruit.

“Hoi,” zegt ik.

“Hoi,” zegt hij.

“Het is wat hè,” zeg ik.

“Nou, dat ken je wel zeggen,” zegt hij.

“Mijn vrouw heeft het er heel moeilijk mee.”

Hij leunt nonchalant tegen de auto als een jonge man.

Hij vertelt dat hij is opgegroeid in de Daltonstraat. Een straat niet ver hier vandaan.

Daarna zijn ze naar de Indigostraat verhuist. Hij was negen. Toen de oorlog begon. En veertien toen die was afgelopen. 

“Ik heb alles meegemaakt,” zegt hij.

Het bombardement op de Indigostraat. Boem! De halve straat was weg. Wij zaten in het goede deel. Buiten lagen drie lijken in de straat. Met opgezwollen benen.

Gedenksteen in de Indigostraat

‘Ter nagedachtenis aan de 24 burgers die op januari 1945 in deze omgeving hun leven verloren door het ontijdig ontploffen van een V2 projectiel’.

Ik denk aan het monument in het begin van de straat. Het hangt aan de muur van een huis. Ik heb mij steeds afgevraagd wat er precies was gebeurd. Nu weet ik het.

“Ik was veertien. Toen de oorlog was afgelopen. En ik moest werken. Om geld te verdienen. Want we hadden niks!

Ik kon als automonteur aan de slag. Dus dat deed ik. Maar ja, daar verdiende ik maar vijf gulden per week! En ik had elke maand een nieuwe overall van zeventien euro nodig.

Dus moest ik wat anders zoeken.

Ik kwam bij een bedrijf terecht die lampenkappen maakte. Daar konden ze nog wel iemand gebruiken.

“Maar je bent zo klein,” zei de baas.

“Nou,” zei ik, “dan sta je ook dichter bij de grond.”

Ik kijk hem aan. Wat bedoelt hij daarmee? Is dat een grap? 

“Maar de baas nam mij aan,” gaat hij gewoon verder.

Ik probeer maar niet door te vragen over zijn eerdere opmerking.

“En ja, toen verdiende ik in enen heel veel geld. Want ik klom steeds hoger op. Met zeventien jaar had ik echt een goed inkomen.

We hadden een groot gezin met veel kinderen. Dus het was goed dat ik geld kon verdienen.”

Ik krijg het koud. Ik heb geen jas aangedaan. Want tijdens het wandelen krijg ik het altijd warm. Maar lang stilstaan is ook niet slim..

“Ik was zevenentwintig toen mijn nicht met een meisie van eenentwintig binnenkwam. Het meisie was kort na elkaar haar ouders verloren. Dat was niet makkelijk. Mijn moeder heeft haar toen opgevangen.

Wat kon die lachen zeg! We hebben de eerste twee dagen alleen maar gelachen. Wat hadden we een plezier.

Stilte.

Nu is ze al zestig jaar men vrouw.

Ze kende niks. Ik nam haar mee naar de kroeg. Voor de eerste keer. Op de Valkenboslaan. Ze keek haar ogen uit. Prachtig vond ze het.

Een biertje was toen een gulden dertig. Dat was heel veel geld voor die tijd. Dus je moest er zuinig mee zijn.

Ze heeft het moeilijk nu,” zegt hij. We hebben het pas twee weken geleden gehoord. Dat ik ziek ben.

“Ze is vijf uur per dag aan het bellen met iedereen. Om het uit te leggen.”

Ik denk ineens aan mijn druif die schimmel heeft. En vertel hem erover.

“Ja meid, daar heb ik ook last van! Je moet carbiet gebruiken.”

“Carbiet?”

“Wij kochten dat vroeger bij de drogist en deden dat in een blikje. Met oud en nieuw lieten we dat dan knallen. Een knal dat dat gaf!” Hij lacht. 

“Ik geloof dat je het met wat aarde moet vermengen. En dan in het na- of voorjaar op de stam moet smeren. Ik ben er mee bezig. Mijn kleindochter gaat mij nog vertellen hoe dat zit.”

Er komt een jonge vrouw langs. Hij kijkt naar haar.

“Men broer is vijfennegentig,” vertelt hij verder.”Die zie ik een keer per jaar. Meestal bij een begrafenis. 

Dan gaat het zo:

‘Hoi, hoe is t?’

‘Ja goed.’

Hij is een oude man geworden. Hij zit alleen nog maar.

Ik ken niet stilzitten. Ik moet wat doen, weet je. Een dag niet bewogen is een dag niet geleefd. Wat mij betreft stopt mijn leven deze week al. Maar ja. Mijn vrouw hè. Het is heel zwaar voor haar. 

Ik hoop dat ik kerst nog haal. Tussen de twee weken en twee maanden heb ik nog. Ik heb men erbij neergelegd. Het is goed zo. 

Gelukkig ken ik nog wel auto rijden. Ben net bij de slager geweest. Daar kom ik al twintig jaar. Maar ja. Dan kom ik thuis hè. En dan moet ik op de bank liggen. Doodop ben ik dan. Dat is niks voor mij joh, dat op de bank liggen. En moe zijn. 

In het Zwarte Woud zijn we meer dan twintig jaar op vakantie geweest. Dat heb ik mogen meemaken. Prachtig is het daar. Zulke mooie wandelingen hebben we daar gemaakt. Daar doe je het toch voor?

Ik belde ze op om te vertellen dat ik dood ga. 

“Wacht even,” zei de man aan de andere kant van de telefoon. 

“Hij stond daar gewoon te huilen. Die grote man. Samen met allemaal andere mannen. Ongelofelijk!”

Hij leunt nu soepeltjes met zijn elleboog tegen de auto. Zijn ogen sprankelen. Hij heeft energie voor tien.

Als mijn plas zwart wordt, moet ik onmiddellijk de dokter bellen. Dan is het foute boel. En ik wordt ook helemaal geel.”

Ik kijk of ik al wat geel kan ontdekken. Maar hij lijkt mij vooral nog bruin van zijn laatste vakantie.

“Ik heb nooit veel gedronken. Ben zestig jaar geleden met roken gestopt. Beweeg heel veel. Heb veel gewandeld. En toch word ik ziek. Je heb het niet in de hand.”

Stilte. 

“Iedereen kan ziek worden. Hoe gezond je ook leeft. 

Ja, Ik ken het verlengen. Mijn leven. Maar het wordt nooit meer beter. Ach ja, wat heb het dan nog voor zin.

Ik slik heel veel medicijnen nu. Ik ken alles hebben. Heb nooit medicijnen geslikt.

Was altijd gezond.

Maar nu slaap ik niet goed. Want in de nacht, dan gaan je gedachtes hè. En maar malen. Ik lig elke nacht wakker. Vannacht heb ik wel beter geslapen. Vijf uurtjes. Wat een verschil zeg. Voel me meteen stukken beter.

Als ik de kerst maar haal.

Voor mijn vrouw hè. Mij maakt het niks meer uit. Het is goed zo.”

Ik begin het nu echt koud te krijgen en besef mij dat ik naar huis moet. Eigenlijk wil ik blijven staan. Want misschien is dit wel de laatste keer dat ik hem spreek. Hij pakt zijn tassen met boodschappen en loopt in ferme pas naar huis. 

Ik kijk nog een keer naar achteren.

Wat zal de buurt hem missen.

Geef een reactie

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.